16/07/2026
16 juli 2026
't Leijpark; een begrip in Tilburg. Een groene long waar de stad trots op mag zijn, divers en uniek
16/07/2026
16 juli 2026
14/07/2026
We nemen een duik in de geschiedenis, naar de late Bronstijd (na de Steentijd en voor de IJzertijd). Toen leefden in onze contreien volkeren die we samenvatten onder de naam Kelten. Zij hielden er allerlei goden op na, wel honderden zelfs en geloofden ook dat er een klein volkje bestond naast de mensen. Dit volkje kennen we nu als de elfen. Toen eenmaal, vele jaren later veel volken gekerstend waren, verdwenen de elfen niet maar werden zij onderdeel van onze sprookjeswereld. Maar aanvankelijk werden zij dus gezien als een bestaand volkje. Via de vele gangen en spelonken in de aarde konden zij reizen naar het binnenste van de Aarde waar een aparte leefwereld zou zijn. Sommige elfen beschikten over vleugels, maar zij maakten ook gebruik, zoals we dan van heksen kennen, van kruiden die ze bereden als vliegende ‘bezemstelen’. Uiteraard had het kleine volkje geen echte bezemstelen hiertoe nodig, maar bereden zij de stengels van bepaalde kruiden. Een van die kruiden, die voor ons licht giftig is en voor paarden zelfs zwaar giftig, is Waterkruiskruid. En laten we nu net dit kruid tegenkomen in het Leijpark. Directe familie van het bekende Jacobskruiskruid waarop we ieder jaar in het park de geelzwarte rupsen van de Jacobsvlinder mogen verwelkomen, is Waterkruiskruid iets minder bekend.
Volgens het toenmalige volksgeloof konden ook wij, gewone stervelingen doordringen in het elfenrijk door takjes Waterkruiskruid bij ons te dragen. Het vervelende is wel dat ook diegene die niet wist dat hij of zij het kruid bij zich droeg, zich ineens in Midden-Aarde kon bevinden en niet iedereen heeft ook daadwerkelijk het verlangen de elfenwereld te betreden. Dus het was oppassen geblazen wat er onverhoopt aan je kleed of schoeisel bleef hangen. Veel later, in de 16e eeuw, toen de Heksenprocessen op gang kwamen, veranderde de betekenis van Waterkruiskruid. Het werd een duister kruid, direct geassocieerd met hekserij. Heksen zouden een aftreksel van Waterkruiskruid gebruiken om de duivel op te roepen. Vrouwen bij wie het kruid in de tuin werd aangetroffen riskeerden alleen al daarom de brandstapel. Een tijd waarin waanzin hoogtij vierde, ingegeven door de naar macht beluste Katholieke Kerk. Gelukkig zijn de tijden veranderd.
In het veld is het wellicht wat lastig te zien, maar Waterkruiskruid onderscheidt zich van Jacobskruiskruid door de bloemen die veel meer uit elkaar groeien. De plant is dol op graslanden die doordrenkt zijn met water en die in de winter zelfs overstromen. Ook een soort overgangsgebied dus; de gedachten van de volken destijds dat de waterwereld een andere is dan de wereld van de aarde had toen weliswaar een andere invulling, maar waar is het wel. We bekijken die dingen nu meer vanuit biologisch standpunt; een stukje fantasie is hiermee wel verloren gegaan.
In de moderne hekserij is Waterkruiskruid terug in de gratie, het kan verkeren nietwaar? Nu wordt het kruid gebruikt om mensen te beschermen en liefde te schenken, door het te verbranden tijdens bezweringen. Vroeger werden er verborgen paden mee geopend, nu groeit de plant daar waar water en land elkaar bekampen en omarmen. Een plant vol verhalen en tegenstrijdigheden, een plant dat leed en liefde gezien heeft en er onbewust aan heeft meegewerkt. In het Leijpark draagt de plant nieuwe generaties eigen zaden en Jacobsvlinders. En uiteraard draagt het kruid onze voortdurende verwondering in het grote groene sprookjesboek dat Leijpark heet.
12/07/2026
12 juli 2026
10/07/2026
Soms heeft een dier een wonderlijke naam, puur door het feit dat het dier genoemd is naar een ander organisme dat het van nature niet tegenkomt. Een dergelijk voorbeeld kwamen we tegen in het Leijpark: de Chrysantencicade.
Laten we beginnen met de grote familie der cicaden. Zij behoren tot de zogeheten ‘halfvleugeligen’ waarvan we er in ons land meer dan anderhalf duizend kennen. De insecten in kwestie hebben geen halve vleugels, maar vleugels die deels verhard zijn en deels bestaan uit zachte vliezen, zoals we kennen van vliegen en libellen. Met de hele vleugel kunnen ze overigens uitstekend vliegen, ondanks de wisselende samenstelling ervan. Bekende halfvleugeligen zijn wantsen en bladluizen, maar ook de cicaden doen een duit in het zakje. In het Leijpark kwamen we eerder de rododendroncicade tegen. De Chrysantencicade lijkt op een piepklein vlindertje, nog geen vier millimeter groot en heeft een zwart-witte tekening. Het vreemde aan dit diertje is dat zij genoemd is naar de chrysant. Dat is raar, want de Chrysantencicade is inheems in ons land, maar de chrysant niet. De chrysant is een sierbloem afkomstig uit China. Nu is de chrysant sinds ongeveer het jaar 1700 in ons lang aanwezig als sierbloem die veelvuldig gekweekt wordt, dit is lang niet voldoende tijd om de Chrysantencicade te laten ontstaan. Sterker nog: Cicaden leefden reeds in het tijdperk Trias. Toen de eerste vliegende reptielen op de leerachtige vleugels gingen, zo’n 200 miljoen jaar geleden, toen waren er reeds cicaden. Wel een tikkeltje groter dan de huidige dwergen, maar ze waren er dan toch.
Nu is de Chrysantencicade niet afhankelijk van chrysanten om te overleven. In ons land leeft het diertje vooral van de plantensappen van kaasjeskruid, dovenetel en munt. Maar op de ene of de andere manier hebben ze ontdekt dat exoten, planten die niet oorspronkelijk uit deze contreien komen, ook heerlijke sappen hebben en met liefde en plezier zu**en ze die ook op. Cultuurgewassen zoals aardappelen en suikerbieten zijn inmiddels helemaal ingeburgerd, maar oorspronkelijk komen ze niet hier vandaan. De suikerbiet ontstond uit de strandbiet (Zuid-Europa) en de aardappel kwam uit het grensgebied tussen Peru en Bolivia. Blijkbaar zijn gewassen die wij, voor ons eigen genot, deze kant op sleepten en hier zijn gaan kweken en veredelen, niet enkel interessant voor ons.
Bij chrysanten die last hebben van de vraatzucht van de Chrysantencicade zien we witte vlekken op de bladeren verschijnen, de bladeren krullen tevens om en de groei van de gewassen wordt vertraagd. Dat is een flinke kostenpost, want bloemen en eetbare gewassen dienen geleverd te worden en zo mogelijk perfect te zijn en met een snoodaard als de Chrysantencicade die roet in het eten gooit schiet dat niet op natuurlijk.
Nu hebben veel cicaden achterpoten die ontwikkeld zijn om te springen; bij gevaar katapulteren ze zichzelf weg. De Chrysantencicade echter vertrouwt bijna uitsluiten op haar vleugels; haar poten zijn niet echt heel geschikt om te springen. In de Chrysantenteelt wordt zij bestreden door zeer fijnmazige netten over de gewassen te spannen, zodat ze er niet bij kan. Groene gaasvliegen en lieveheersbeestjes worden ingezet om de larven van de Chrysantencicade op te vreten; de eieren liggen diep in de planten verscholen en de volwassen dieren zijn lastig te vangen door hun alertheid. Alleen spinnen kunnen hen nogal eens verrassen.
In het Leijpark hoeft deze cicade niet bestreden te worden natuurlijk. Het moge een klein wonder heten dat Leijpark-fotograaf Henk de Winter er überhaupt eentje gevonden heeft, maar het is hem gelukt. Het is mooi om dit soort dwergjes ook eens voor het voetlicht te brengen. Ook zij leven in het Leijpark en ook zij horen er helemaal bij, ondanks hun exotische naam. Een vegetarische strijder die reeds honderden miljoenen jaren standhoudt. En zolang wij ons omringen met snijbloemen en zolang wij aardappeleters blijven, zal zij voortleven, waar anders dan: in het Leijpark?
08/07/2026
8 juli 2026
06/07/2026
Er wandelt, vliegt, kruipt en zwemt van alles door het Leijpark. En dan zijn daar: de dansers. Zij krijgen weinig tijd om hun pasjes te oefenen, maar zullen, eenmaal volwassen meteen met hun mooiste pirouettes en pas de deux aan de gang moeten om de blits te maken bij de dames. Tenminste: als zij zich voort willen planten en dat verlangen wordt wel gedeeld door de meeste mannetjes.
Een danser bij uitstek is de Gewone grashalmdansvlieg. Zij danst eigenlijk altijd. Is het niet in de voorbereiding op het minnespel dan is het wel in de jacht. Zij is namelijk een rover, een behendige jager die de raarste capriolen uithaalt om kleine vliegjes uit de lucht te plukken. Anders dan veel andere insecten hebben ze hiertoe goed uitgeruste en gespierde achterpoten. Hiermee overvallen ze insecten in hun vlucht, verlammen hen door een goedje in hen te sp***en en slobberen hen vervolgens leeg.
Tijdens de vlucht die uiteindelijk leidt tot een paring, pakken ze het anders aan. Als een zwerm spreeuwen gaan de mannetjes de lucht in en daar vliegen zij in allerlei patronen en vormen, volkomen synchroon. Zij laten aan de vrouwtjes zien wat ze waard zijn en dat ze mee kunnen met de wolk dansvliegen. Het is overigens niet helemaal eenrichtingsverkeer; ook de vrouwtjes doen hun best om de aandacht van de mannetjes te trekken. De mannetjes hebben dikke achterpoten en een enorm uithoudingsvermogen, maar toch zijn ook zij selectief in hun keuzes. Ergens in de vlucht vangen ze een prooi en brengen deze naar een vrouwtje van hun keuze. Dus niet zomaar het eerste het beste vrouwtje dat ze tegenkomen. Beide seksen willen het beste voor zichzelf en het nageslacht. Het aanbieden van een prooi is meer dan een liefdescadeautje. Vrijwel direct na de paring begint het vrouwtje met het produceren van eitjes in haar lichaam. En voor die productie zijn eiwitten nodig. Eiwitten die uit de aangeboden prooi komen. Een slim cadeau. Het is zelfs zo dat sommige mannetjes expres een grotere prooi vangen dan andere mannetjes. Zo is het vrouwtje langer aan het eten en kan het desbetreffende mannetje dus langer paren. De kans dat het nageslacht van hem zal zijn wordt zo groter.
Op de rug van de Gewone grashalmdansvlieg zien we een bult, een bochel zo u wilt. Bij ons is een bult een vergroeiing, een aandoening die allerlei klachten oplevert en ons vroeger het stempel ‘mismaakt’ op zou leveren. Bij de Gewone grashalmdansvlieg echter is het een statussymbool, het teken van mannelijkheid, kracht en heerschappij. Want in die bult bevindt zich datgene wat hem juist de koning van het luchtruim maakt, in jacht en paring: Zijn vleugelspieren! Zoals sommigen van ons onze biceps laten zien om te zeggen: “Kijk mij eens sterk zijn”, zo heeft de Gewone grashalmdansvlieg de bochel om dit doel te dienen. Een pracht van een bult, glanzend in de zon en welhaast de garantie dat de dame voor zijn charmes zal vallen. Daar kan Quasimodo nog een puntje aan zu**en.
04/07/2026
4 juli 2026
02/07/2026
Hoe vaak lezen we niet: “Poepbacterie aangetroffen in drinkwater, overheid geeft kookadvies”. Het eerst koken van drinkwater doodt namelijk desbetreffende bacterie. Nu gaat het hier om de zogeheten E.coli-bacterie. Genoemd naar de ontdekker (de Duitse kinderarts Theodor Escherich) en coli (afgeleid van het woord colon, wat niks anders is dan de dikke darm). Deze bacterie hoort thuis in onze darmen; zij bestrijdt de groei van andere veel gevaarlijkere bacteriën, helpen ons bij de spijsvertering en produceren de broodnodige vitamine K, onder andere essentieel bij de stolling van ons bloed. We hebben het hier dan wel over de goedaardige stammen van de E.coli-bacterie. Er zijn vele stammen en het zijn de kwaaien die ons kopzorgen geven en in sommige gevallen gevaarlijk zijn. Zij zorgen voor uitdroging omdat ze ons diarree bezorgen; een soms zelfs dodelijk gegeven bij zeer jonge kinderen.
Nu zijn wetenschappers altijd op zoek naar een remedie tegen datgene dat ons kwaad berokkent en in het geval van de E.coli-bacterie zou het antwoord weleens kunnen liggen in een plantje dat we tegenkwamen in het Leijpark: Kleine ooievaarsbek.
Sinds jaar en dag maken we reeds thee van de blaadjes en we drinken deze bij milde diarreeklachten of we gorgelen ermee om ontstoken tandvlees een halt toe te roepen. Dus we weten reeds dat het kruid infecties tegengaat. We maken etherische (vluchtige) oliën van uiteenlopende soorten geraniums (kleine ooievaarsbek behoort tot de geraniumfamilie) om onze huid te verzorgen en om een fijne geur in onze huizen te verspreiden die meteen schimmels en bacteriën naar een andere wereld helpt. Maar blijkbaar zijn wij niet de enigen die dit proces onder de knie hebben gekregen. Ook geraniums zelf, waaronder Kleine ooievaarsbek, maken van nature deze olie aan. Kleine ooievaarsbek heeft kleine klieren op de bladeren en stengels en daar wordt de olie aangemaakt, om de plant te beschermen tegen vraat van insecten. En het is deze olie, waar ook natuurlijk alcohol (ethanol) in voorkomt, die de groei van de poepbacterie aanzienlijk afremt. Nu is het advies nog: “Kook uw water”, maar wellicht heeft de nabije toekomst eerder een advies als: “Smeer uw kind in met olie van Kleine ooievaarsbek” in petto. De tijd gaat het ons leren.
Kleine ooievaarsbek is een zogeheten stoepplantje. Vroeger zagen we plantjes tussen stoeptegels als onkruid en werden ze zonder pardon verwijderd. Nu zien we meer en meer de waarde van dit soort groen in. Kleine ooievaarsbek is bijvoorbeeld een belangrijke plant voor hommels, snuitkevers en vlinders. Het bruin blauwtje, een kleine vlinder die ongetwijfeld in het Leijpark voorkomt, legt op Kleine ooievaarsbek haar eitjes en haar rupsen knagen er hun buikjes rond. De plant draagt bleekpaarse tot zachtroze bloemetjes en vanaf april begint zij te bloeien. Ze staat graag droog of slechts een beetje nat, maar teveel water laat haar wortels rotten en dan is het gedaan met onze kleine spruit. De zaden van het plantje zitten in zogeheten zaaddozen die de vorm hebben van de snavel van een ooievaar. In elke snavel zitten vijf za**jes, die wegschieten uit de snavel als de zaden droog zijn en klaar om de wijde wereld in te gaan. Een za**je kan soms wel twee meter wegschieten; weg van de moederplant en op naar eigen vruchtbare gronden. Gronden waar zij, anders dan bij ons mensen, droog kan staan terwijl zij in de olie is. Het Leijpark is wonderlijk.
30/06/2026
30 juni 2026
28/06/2026
In het Leijpark leven veel dieren die we nooit of vrijwel nooit zien. Zij leiden een hoofdzakelijk nachtelijk bestaan of hebben ons in het snotje ver voor wij een glimp van hen kunnen opvangen en poetsen wijselijk de plaat. Met dat gegeven moeten we leren leven en het voegt eerlijk gezegd wel iets toe aan het mysterie; geen jaar is hetzelfde en er valt immer nog iets te ontdekken. Een dergelijke ontdekking deden we eerder dit jaar. We wisten door sporen en wissels (paden die ontstaan doordat dieren er regelmatig gebruik van maken) dat we er eentje zouden moeten hebben, vast of als doortrekker. We vonden af en toe uitwerpselen, maar verwarring met marterachtigen is mogelijk. En ineens, een uitstapje nemend uit zijn welhaast ongrijpbare bestaan, liet hij zich verschalken door een oplettende cameralens. Verscholen in het struikgewas, de rug naar ons maar overduidelijk de dikke kenmerkende staart in beeld en de roodbruine vacht. De oren gespitst, bedacht op gevaar en prooidieren sluipt het dier langs de grenzen van het Leijpark: de Rode vos.
In ons land kennen we slechts één soort vos en voor de komst van de wolf was hij het grootste roofdier van ons land, de grijze zeehond even niet meegerekend (de kans dat we die gaan tegenkomen in het Leijpark acht ik vooralsnog klein).
De Rode vos is een zeer succesvolle soort. Er zijn in Noord-Brabant duizenden vossen en in het hele land meer dan honderdduizend! De komst van de wolf lijkt nadelig voor de Rode vos, aangezien de wolf sterker is en een vos kan doden, los van het feit dat het een voedselconcurrent is. Doch de grootste vijand van de Rode vos is de mens. Wij vinden het niet leuk dat de vos onze kippen pakt en alleen al daarom is het dier jarenlang fel bejaagd. Sinds de wolf in ons land is gaat vrijwel alle aandacht uit naar deze nieuwkomer die zich weleens durft te vergrijpen aan schapen, kleine huisdieren, paarden en zelfs af en toe een kind hapt. Een nieuwe zondebok is gevonden en dit gegeven is een cadeautje voor de Rode vos. Daar komt nog bij: de wolf laat zich veel vaker en sneller zien dan de Rode vos. Wie zich toont, heeft de aandacht. Wie maalt er om een kippetje als de paarden met opengereten kelen in de weide liggen?
In de negentiende eeuw kon je voor de wintervacht van een gedode vos makkelijk vijf gulden vangen. Dat lijkt weinig, maar omgerekend van de toenmalige naar de huidige koopkracht hebben we het over een bedrag tussen 75 en 125 euro. Voor velen toen de moeite zeker waard. Vossen werden dan ook fel met honden, strikken en klemmen bejaagd. Inmiddels is het dier gelukkig streng beschermd.
In de vele sprookjes die over vossen reppen komt het dier meestal als sluw en doortrapt uit de bus; aanduidingen voor een dier dat zijn succes te danken heeft aan zijn intelligentie en opportunisme. Het beroemde verhaal ‘Van den Vos Reynaerde’ handelt over de listen en lagen van een uiterst schrander en onbetrouwbaar dier (of mens).
De rode vos eet vrijwel alles: muizen, konijnen, regenwormen, dode dieren, pluimvee, andere vogels, de bak hondenvoer die buiten staat wordt moeiteloos leeg gevreten. Maar de vos haalt ook niet zijn neus op voor ratten, vis, sprinkhanen, eieren, bessen of ander fruit. Ook de afvalbakken in het Leijpark zijn geenszins veilig.
Nu wordt er af en toe wel een vos doodgereden; voor het bestand aan vossen maakt dit weinig uit en: het Leijpark is een territorium (dertig hectare) vol voedsel. Zodra een vos het loodje legt, neemt een andere zijn plaats in. De Rode vos gaat daar waar voedsel is. In het bos, in de duinen, op de heide en sinds een aantal jaren, ook in de stad. Als er ergens veel voedsel voorradig is, dan is het bij de mens. En de Rode vos heeft dit feilloos begrepen. Niet alleen het Leijpark, de Oude Warande en Stadsbos013 kennen vossen, maar ook aan de randen van de stad vangen we af en toe een glimp op. Vijf jaar geleden wandelde er eentje doodleuk over de Heyhoefpromenade.
Ondanks de beschermde status van de Rode vos wordt hij nog regelmatig bejaagd door zogeheten faunabeheer, daar hij schade toe zou brengen aan eveneens beschermde weidevogels.
De Rode vos die zich bij het Leijpark liet bewonderen, al was het in een vastgelegde oogopslag, voldoet hopelijk aan het spreekwoord: Zo slim als een vos zijn’. Als er iets of iemand aan kan voldoen, dan is het de Rode vos zelf.
Foto: Gerda. (Achterbuurvrouw van Henk de Winter)