15/08/2026
– Van vonk naar schittering: waarom en hoe we het creatieve potentieel van cognitief begaafde leerlingen kunnen ontwikkelen
Prof. Mojca Juriševič
Hoe kunnen we de creatieve vonk bij cognitief begaafde leerlingen aanwakkeren én ervoor zorgen dat die blijft branden? Dat was de centrale vraag in de presentatie van prof. Mojca Juriševič. Meer specifiek ging ze in op de vraag hoe onderwijs het creatieve potentieel van cognitief begaafde leerlingen kan stimuleren en de ontwikkeling ervan tot creatief talent en uiteindelijk creatieve excellentie kan ondersteunen.
Een eerste vraag is wat we precies verstaan onder creatief potentieel. Juriševič verwees onder andere naar Sternbergs omschrijving van creativiteit als het vermogen om origineel werk te produceren dat past binnen de context en rekening houdt met de beperkingen van een bepaalde taak. Creativiteit, zo benadrukte ze, mag niet zomaar gelijkgesteld worden aan innovatie. Het gaat in de eerste plaats om iets bedenken en iets origineels creëren.
Op basis van het werk van onderzoekers zoals Plucker, Runco, Jaeger, Csikszentmihalyi, Simonton en Treffinger besprak ze verschillende criteria om naar creativiteit te kijken. Creatief werk kan bijvoorbeeld beoordeeld worden op elegantie, zoals de mate waarin het begrijpelijk, verfijnd of mooi uitgewerkt is; integratie, of het vermogen om verschillende elementen samen te brengen; germinaliteit, waarmee wordt bedoeld dat iets het potentieel heeft om nieuwe ideeën voort te brengen; emotionaliteit en elaboratie.
Maar waarom zouden we eigenlijk geïnteresseerd moeten zijn in de creativiteit van kinderen? Een belangrijk onderscheid is dat tussen creatief potentieel, creatief denken en creatieve uitkomsten. Creatief potentieel is een latent vermogen om creatieve resultaten voort te brengen. Het is een vertrekpunt en nog geen afgewerkt product. Een kind kan dus over veel creatief potentieel beschikken zonder al iets geproduceerd te hebben wat als een uitzonderlijke creatieve prestatie wordt beschouwd.
Dat onderscheid heeft belangrijke gevolgen voor het onderwijs. Het bepaalt mee hoe we over creativiteit denken, hoe we die meten en hoe, wanneer en waar we ze proberen te stimuleren.
Creativiteit is zowel voor de samenleving als voor de individuele leerling belangrijk. Ze kan een invloed hebben op leerprocessen zoals aandacht, geheugen, probleemoplossend denken en kennisontwikkeling, maar ook intrinsieke motivatie, nieuwsgierigheid, plezier in leren en het academisch zelfconcept ondersteunen. Creativiteit hangt daarnaast samen met persoonlijkheids- en psychosociale kenmerken zoals openheid, het durven nemen van risico's, communicatieve en sociale vaardigheden, empathie, samenwerking, motivatie, tevredenheid en mentale gezondheid. Juriševič zou ook competitie graag aan dit rijtje toevoegen, al wees ze erop dat er relatief weinig onderzoek is naar de relatie tussen competitie en creativiteit.
Er zijn ook bredere redenen waarom onderwijs bewust aandacht zou moeten besteden aan het ontwikkelen van creatief potentieel. Jongeren groeien op in een wereld met complexe problemen en mondiale uitdagingen, en creativiteit kan hen helpen om daarmee om te gaan. Onderzoek suggereert bovendien dat creatievere personen in de loop van hun carrière gemiddeld meer verdienen, in hogere beroepscategorieën terechtkomen en hogere onderwijsniveaus bereiken.
Ook op maatschappelijk niveau worden creativiteit en innovatie steeds meer internationaal opgevolgd. Juriševič verwees bijvoorbeeld naar de Global Innovation Index 2025, waarin België op de 21ste plaats stond, en naar PISA. In 2022 mat PISA voor het eerst creatief denken, binnen verbale, grafische, sociale en STEM-gerelateerde domeinen. Dit leidde onder andere tot publicaties als Thinking Outside the Box en Creative Minds in Action, waarmee het toenemende belang van creatief denken binnen onderwijs nog eens wordt benadrukt.
Ook de Top 20 Principles from Psychology for PreK–12 Creative, Talented, and Gifted Students’ Teaching and Learning stelt expliciet dat de creativiteit van leerlingen kan worden gestimuleerd. De uitdaging voor onderwijsprofessionals bestaat er dus niet alleen in creativiteit te herkennen, maar ook het enthousiasme, de nieuwsgierigheid en het plezier te creëren waardoor die zich verder kan ontwikkelen.
Want potentieel ontwikkelt zichzelf niet automatisch tot talent. Daarvoor zijn tijd, kansen en de juiste ontwikkelingsvoorwaarden nodig. Juriševič koppelde dit onder andere aan Subotniks Talent Development MegaModel 3.0: potentieel hebben is slechts het begin van een veel langer ontwikkelingstraject.
De context doet ertoe
Creatief potentieel ontwikkelt zich nooit in een vacuüm. De context doet ertoe, en Juriševič gebruikte Slovenië als voorbeeld, waarbij ze het publiek uitnodigde om deze observaties te vertalen naar de eigen onderwijscontext.
In het Sloveense toekomstprogramma voor onderwijs uit 2025 wordt onderwijs aan cognitief begaafde leerlingen besproken binnen het bredere kader van inclusie, naast leerlingen met specifieke onderwijsbehoeften en leerlingen met een migratieachtergrond. Cognitieve begaafdheid komt er ook aan bod in relatie tot psychosociale ontwikkeling, een gezonde levensstijl en creativiteit.
Ook in het nationale rapport over de kwaliteit van het Sloveense onderwijssysteem krijgen cognitieve begaafdheid en creativiteit aandacht. Binnen de identificatieprocedures gebruikt Slovenië momenteel twee belangrijke soorten instrumenten – IQ-tests en beoordelingsschalen voor leerkrachten – maar daarnaast ook de Torrance Tests of Creative Thinking, al erkende Juriševič dat dit laatste instrument verouderd is.
Aanbevelingen rond cognitieve begaafdheid en creativiteit worden eveneens meegenomen in discussies over het curriculum. Tegelijkertijd suggereren de PISA-resultaten van 2022 rond creatief denken dat Slovenië het in vergelijking met het bredere OESO-beeld minder goed doet dan gehoopt, en dat er dus nog heel wat ruimte voor verbetering is.
Wat proberen we eigenlijk te ontwikkelen?
Als we creativiteit via onderwijs willen stimuleren, moeten we ook duidelijk weten wat er precies moet worden ontwikkeld. Juriševič omschreef creatieve excellentie als een voortdurende wisselwerking tussen twee complementaire processen.
Aan de ene kant is er het vermogen om uiteenlopende en originele ideeën te genereren: mogelijkheden verkennen, het denken opentrekken en divergent denken. Aan de andere kant is er het vermogen om die ideeën te beoordelen, te verfijnen en uiteindelijk te realiseren: focussen, integreren en convergent denken, een onderscheid dat teruggaat op het werk van Guilford.
Beide zijn noodzakelijk. Een leerling die twintig fascinerende ideeën kan bedenken, maar vervolgens niet weet welk idee te kiezen of hoe eraan te beginnen, heeft niet simpelweg meer creativiteit nodig. Op dat moment heeft die leerling mogelijk vooral ondersteuning nodig bij het convergente denken: kiezen, structureren, verfijnen en één van die ideeën daadwerkelijk verder uitwerken.
Daarom pleitte Juriševič voor expliciete instructie in creativiteit. We mogen er niet van uitgaan dat creatief potentieel zich vanzelf ontwikkelt omdat een leerling cognitief begaafd is of omdat we af en toe een open opdracht aanbieden.
Scholen kunnen de creatieve vonk namelijk versterken, maar ook uitdoven. Een onderwijsomgeving waarin vooral één juist antwoord wordt verwacht en waarin iedereen in hetzelfde tempo en naar hetzelfde eindproduct moet werken, kan creatieve ontwikkeling beperken. Hetzelfde geldt wanneer leerlingen veel prestatiedruk ervaren zonder voldoende psychologische veiligheid om risico's te durven nemen.
Het ontwikkelen van creativiteit vraagt daarom om zowel uitdaging als veiligheid. Leerlingen moeten uitgedaagd worden om verder te gaan dan wat ze al beheersen, maar moeten tegelijkertijd de ruimte krijgen om te experimenteren, fouten te maken en te falen. Hoge verwachtingen zonder veiligheid kunnen het nemen van risico's afremmen, terwijl veiligheid zonder uitdaging de groei kan beperken.
De literatuur wijst daarom op een bredere verschuiving in de manier waarop scholen met creativiteit omgaan: van losse creatieve opdrachten naar ontwikkelingstrajecten, van occasionele creatieve activiteiten naar een duurzaam ecosysteem, en van het belonen van nieuwigheid naar het ontwikkelen van de expertise die nodig is om ideeën om te zetten in betekenisvolle bijdragen.
Continuïteit is daarbij cruciaal. Creatief potentieel kan niet worden ontwikkeld met alleen af en toe een ‘creatieve les’ of een bijzonder project. Er is een omgeving nodig waarin verkennen, experimenteren, verfijnen en steeds complexer creatief werk zich doorheen de tijd verder kunnen ontwikkelen.
Juriševič vatte die ontwikkelingsgerichte verantwoordelijkheid samen in vier krachtige zinnen:
Zie de vonk.
Bouw het pad.
Bescherm de mogelijkheid.
Verwacht een bijdrage.
Talent kan de eerste vonk doen ontstaan, maar het onderwijs speelt een belangrijke rol in de vraag of die vonk de kans krijgt om uit te groeien tot een blijvend licht.
En daarmee liet Juriševič onderwijsprofessionals achter met een laatste, belangrijke vraag:
Wiens creatieve potentieel krijgt de kans om uit te groeien tot een betekenisvolle bijdrage?
Voor meer informatie kan Mojca Juriševič gecontacteerd worden via [email protected].